Sloppenwijken en voodoo, op vakantie in Haïti

Deze reportage was Blende headliner

Tekst en fotografie Sam Gerrits. 

Haïti is het meest indrukwekkende land dat ik ooit bezocht heb. Elf miljoen mensen wonen er, niets werkt. Port-au-Prince is een miljoenenstad, maar riolering en stoplichten ontbreken. De nasleep van de aardbeving van 2010 was zeven jaar na dato nog steeds zichtbaar. Tot mijn genoegen vonden in september 2017 niet alleen mijn verslag ter plaatse, maar ook mijn foto’s hun weg naar de voorpagina van Blendle:

 

 

Tekst:

“Je hoort nooit wat van Haïti, tenzij er een ramp gebeurt natuurlijk. Irma, Harvey en Jose gleden er dit jaar genadig langs, maar Matthew deelde in 2016 een gevaarlijke tik uit. Het ministerie van Buitenlandse Zaken geeft al jaren een negatief reisadvies, desondanks ging Sam Gerrits er kijken. ‘Als de kerken stil zijn, hoor ik trommels lager op de helling. Af en toe gegil. Ik hoef niet te raden wat dat is: voodoo.”

Er staan vier kerkjes in Canapé Vert. Letterlijke bakens van licht in het donker, waar iedere avond urenlang gezongen wordt. Als je toch geen tv hebt… Maar als de kerken stil zijn, hoor ik trommels lager op de helling. Af en toe gegil. Ik hoef niet te raden wat dat is: voodoo. Of vodoun, zoals de Haïtianen zelf zeggen. Emmanuel, een jongen met een bol gezicht en pretoogjes die de administratie van het bordeel waar ik verblijf doet, wil wel kijken of de lokale priester me wil ontvangen. Hij klapt zijn telefoon open, begint rond te bellen. Ik loop naar buiten, de brandende zon in. Een paar belletjes later tikt hij me op mijn schouder: ‘Oui.’

De volgende middag gaan we naar het hart van de sloppenwijk. Door steeds nauwere steegjes tot de geur van rottende groenten en vlees, gemengd met doe-het-zelf-riolering, bijna te snijden is. In het droge seizoen helpt ook een helling niet. We lopen over krakende planken, over poelen vol gorigheid, tot we voor een verveloze, lichtblauwe poort staan. Er wordt gebeld, gesmoesd. We mogen. Ik druk een zware gietijzeren deurklink naar beneden. De poort zwaait open naar een modderige binnenplaats. Er brandt een kolenvuur, waarin een ijzeren pook is gestoken die roodgloeiend moet zijn, al zie je daar niets van in de middagzon. Een enorme, zwart-witte gans met een fel oranje snavel, waggelt blazend op me af. Een lage stem zegt kort iets in het creools. De gans druipt af. Wat is dit, een film?

Een beer van een vent die lijkt op Forest Whitaker, maar dan nog zwarter en met twee hangende oogleden, komt de binnenplaats op. Hij draagt een wit hemd en een soort pyjamabroek met slippers. Geen versiersels, alleen een gouden ketting met een grote davidster om zijn nek. Hij wenkt ons mee. Zijn heiligdom ligt verborgen achter een roodfluwelen gordijn vol symbolen in goud stiksel.

Het is er donker en het ruikt er vreemd. Naar verbrand haar, wierook en een scherp chemisch luchtje dat ik niet kan thuisbrengen. Ik ontwaar een tafel, bedolven onder sterke drankflessen. Planken met schalen vol natuurproducten die ik niet ken. Aan het plafond hangen menselijke dijbeenderen, omvlochten met spreuken, en een paar kinderstoeltjes ondersteboven aan henneptouw, met lokken kinderhaar eraan. Op de een of andere manier zijn die stoeltjes way more creepy dan de beenderen, of de mensenschedels die op de grond staan. Terwijl die schedels je letterlijk aanstaren, de oogkassen ingelegd met paarlemoer en edelstenen. Op een paar kruinchakra’s brandt een druipende kaars.

Lees hier de complete reportage

 

 

Death Metal in Iran — ook deze reportage was Blende headliner

Deze reportage was de spannendste die ik ooit gemaakt heb. Ik belandde in een kat-en-muis spel met de Iraanse geheime politie. Slim gebruik van taxi’s zorgde ervoor dat ik toch mijn bronnen kon beschermen. Helaas konden mijn foto’s van de bands die ik interviewde niet gebruikt worden. Death Metal is verboden in Iran. De artiesten die je ziet zijn niet degenen die ik gesproken heb.

“Helemaal hip in de Iraanse underground: Death Metal. Maar in Teheran is underground echt underground. Onze man in Teheran bezocht de scene, werd al snel gevolgd en moest toezien hoe zijn bron werd opgepakt. ‘Veertig zweepslagen zijn geen uitzondering.’

Ik heb moeten beloven dat ik de echte namen van deze mannen niet openbaar maak. Eentje heeft namelijk door mijn schuld vastgezeten. In de aanloop naar mijn bezoek aan Iran had ik Facebook-contact met de gitarist en oprichter van een van de beste death metal-bands van Iran, laat ik hem Mister Death noemen. Hij vertelde me dat sociale media weliswaar verboden zijn in Iran, maar dat dit makkelijk te omzeilen was via een Virtual Private Network. Sterker nog, de heren hadden sinds kort een nieuwe VPN-server ontdekt. Supersnel, werkte altijd, voor maar één dollar per maand.

Waarschijnlijk is deze server een honeypot van de staat geweest. Want een dag nadat ik in Iran via de VPN contact maakte met mijn underground metalhelden, werd ik gevolgd. Toen ik mijn hotel uitliep, stond er een jongeman met hip kapsel, spiegelzonnebril, poloshirt met gele en groene strepen en zo’n foeilelijke moderne jeans met veel ritsen nonchalant met zijn rug tegen een muur te bellen.

Een paar straten verder liep hij, al bellend, nog steeds achter me. Ik deed een test. Ging een groentewinkeltje binnen, wachtte een paar minuutjes. En ja hoor, streepjespolo stond nog steeds tegen een auto te bellen toen ik weer buitenkwam. Hij heeft letterlijk de hele dag al bellend achter me aangelopen. Compleet surrealistisch. Niet echt subtiel ook. Maar de volgende dag was streepjespolo verdwenen. Dus dacht er verder niet over na. Ik nam aan dat het random was, gewoon omdat ik een westerling ben. Dat was het niet. Een kleine week nadat we elkaar spraken, ik was toen weer terug in Nederland, was Mister Death ineens verdwenen. Zijn bandleden wisten niet waar hij was. In het bijzonder de drummer, zijn allerbeste vriend, laat ik hem Mister Metal noemen, was erg ongerust. Weken later kwam Death pas weer boven water. Hij had in een of ander aftands flatje vastgezeten, slecht te eten gehad en was geestelijk uitgeput. Niet fysiek mishandeld, maar wel zo geïntimideerd dat hij niet meer on the record wilde met zijn verhaal. Daarom is dit interview anoniem.”

Lees verder via de website van de Nieuwe Revu

 

System of a Down genocide-herdenkingsconcert in Armenië

In 2015 maakte ik deze reportage voor de Nieuwe Revu ter plekke van een concert van System Of A Down in de Armeense hoofdstad Jerevan, ter herdenking van 100 jaar Armeense genocide.

Armeense jongeren wachten op het eerste rockconcert ooit in Jerevan van System Of A Down.

“System of a Down geeft Armeense jongeren geloof en hoop terug

Dagen reizen en geen geld voor bier. In de straatarme Armeense hoofdstad Jerevan is de gladgestreken werkelijkheid van de westerse rockarena’s ver weg. Hier gaat het nog echt ergens om. System Of A Down herdenkt honderd jaar later de Armeense genocide. […]

Het begint al als ik om zes uur ’s ochtends de ontvangsthal van vliegveld Zvartnots binnenloop. Twee allerschattigste en verrassend frisse scholieren, met bordjes van het Global Forum Against The Crime Of Genocide, houden me staande: ‘Gaat u het genocide-momument bezoeken?’ Op hun bordjes prijkt een pimpelpaarse bloem, die ik de hele dag overal zal zien. Een alpen-vergeet-mij-nietje, het paarse zusje van ons korenblauwe bloemetje.  Het is 23 april 2015, één dag voor de honderdste verjaardag van de Armeense genocide. Vanavond treedt hardrockband System Of A Down op in het kloppende hart van de hoofdstad Jerevan.”

Lees verder via Blendle

 

 

Deze Nieuwe Revu met mijn cover-artikel over de Opmars van Verwarde Man was één van de best verkochte van 2015. In dit artikel combineer ik een openhartig verslag van mijn eigen dakloosheid, rond het millennium, met een gewaagde analyse van de gevolgen van het GGZ-beleid van Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Edith Schippers in de eerste helft van de jaren ’10. 

Lees verder via de website van de Nieuwe Revu