Je hoort nooit wat van Haiti. Tenzij er een ramp gebeurt natuurlijk. Aardbevingen, orkanen, een busongeluk met meerdere doden. Oh en voodoo natuurlijk. Katja Schuurman die à la Blair Witch Project angstig in een BNN camera kijkt, op de achtergrond onduidelijke shots van slachtkippen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken geeft al jaren een negatief reisadvies. Maar is het eilandrijk er nu werkelijk zo verschrikkelijk aan toe? Revu’s Sam Gerrits ging kijken. 

Natuurlijk vliegt Air France dagelijks op Haiti. Zolang de francofone ex-kolonies bevlogen blijven, is La Première République niet verloren. We landen zacht. Een stewardess met een rode Christian Lacroix strik om haar middel trekt ferm aan een net zo rode hendel. De deur van de Airbus klapt open. 

Ik daal een roestige, donkerblauwe trap af. Mijn schoenen zinken in zinderend asfalt. Zoals die van Columbus in het strandzand gezonken moeten zijn, toen hij hier in 1492 aan land ging. De passaatwind blies Columbus’ wastobbes zo hard tegen de bovenwindse kant van dit eiland aan, tegenwoordig de Dominicaanse Republiek, dat eenderde van zijn vloot strandde. Ik sta aan de benedenwindse kant. In de taal van de oorspronkelijke Taíno-indianen betekent Haïti “land van hoge bergen”. Een ruggengraat van kalksteen tussen ‘La Dominicana’ en Haïti blokkeert de passaatwind, die op Curacao zo prettig blaast. De hitte is vochtig en moordend. 

Toyotadealer in voodookleuren

A perfect storm

Als je bedenkt dat die steile kalksteenbergen ooit oceaanbodem waren, snap je ook meteen waarom in 2010 een 7.0-aardbeving hoofdstad Port-au-Prince met de grond gelijk maakte. Onder Haïti ligt een wirwar van diepe, actieve breuken. Brokstukken van een armpjedruk-wedstrijd tussen de Caribische en Noord-Amerikaanse tectonische plaat, die al tientallen miljoenen jaren duurt. Port-au-Prince 2010 was een ‘Perfect Storm’: het epicentrum lag dichtbij de stad en de beving was ondiep, waardoor er breuken open scheurden. En Haïtianen bouwen niet op aardbevingen. De allerarmsten onder hun roestige golfplaatdakjes hadden geluk. De armoede-middenklasse raakten bedolven onder beton. De schaarse echte middenklassers stierven onder hun maisonnettes.

Anno 2017 is de verwoeste stad grotendeels herbouwd. Toch is het negatieve reisadvies van het ministerie van BuZa nog steeds van kracht. Ergens is dat logisch, in straatarm Haiti zijn buitenlanders rondwandelende portemonnees. Daarom is het des te verrassender, dat het criminaliteitscijfer er relatief laag ligt. Natuurlijk was het gevaarlijk na de aardbeving, je werd vermoord om een fles cola. Maar het moordcijfer is nu op de meeste plekken vergelijkbaar met dat van Jamaica.

De doden worden in ere gehouden

Toch blijft het voor ontwikkelingswerkers verboden, om na het donker buiten de chique expatwijk Petionville te komen. De meeste wereldverbeteraars zijn daar niet rouwig om. Ik sprak er een paar en ik snap dat ze bang worden van de verhalen. Maar de echte boeven wonen niet in de sloppenwijken. Die zaten naast ons in de lobby, lachend dure drankjes te drinken. Die boeven, de bovenste paar procent, sluizen ontwikkelingsgeld weg naar reusachtige villa’s op de heuvels rond de hoofdstad. Van daaruit kijken ze, beschermd door vechthonden en mannen met wapens, uit over de sloppenwijken op de hellingen van Port-au-Prince.

Diep in de officieuze buitenwijk

Ik verblijf in een hoerenhotel, diep in de sloppenwijk Canapé Verde. Ik zeg zelf liever “officieuze buitenwijk”. “Sloppenwijk” klinkt als krotten en hopeloosheid. Dat zie ik niet. Ik zie orde, gemeenschapszin, blije, bruisende mensen. Overal kerken, waar tot diep in de nacht gezongen wordt. Aanvankelijk wordt ik wel achterdochtig nagekeken. De reden hiervoor blijkt te zijn dat ik de eerste blanke ooit in mijn straat ben. Je vindt nog Taino-DNA bij de Dominicanen, maar in Haiti zijn ze zo uitgestorven als de dodo. Iedereen hier komt uit Afrika. Ik ben een sneeuwvlok in een zee van zwart. Na twee dagen weten ze wie ik ben en er wordt vriendelijk naar me geknikt.

Toen Haïti nog vol stond met suikerriet, werden de Fransen er rijk mee. De armoe zit dus niet in de bodem. Wel in structurele corruptie en zelfverrijking. Dit land was ooit het toneel voor de eerste succesvolle slavenopstand  in de geschiedenis. Die opstand had het slavengeloof vodoun als motor. Witte plantagehouders werden bij bosjes afgeslacht. Wat horrorfilms je verder ook vertellen: daar komt onze angst voor zombies vandaan, dáárom keek Katja Schuurman zo angstig in die BNN-camera. Maar voodoo of niet, Haïti is een mislukte staat. Met geloof alleen kom je er niet.

Stad van de zon

De beste manier om je door de stad te verplaatsen is achterop een Dayum motorfiets made in China. Mijn chauffeur Remí zet de motor af om benzine te besparen. We schieten de heuvel af, slalommend door de dagelijkse file van dikke SUV’s. Veel ontwikkelingsgeld gaat in leuke autootjes voor onze wereldverbeteraars zitten. Na de aardbeving zijn scheepsladingen SUV’s achtergelaten. Daar rijden nu Haïtianen met connecties in rond. Omdat Port-au-Prince daar niet op gebouwd is, verkeert de stad van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat in een toestand van permanent verkeersinfarct. Alleen achterop de motortaxi kom je er nog door.

Het vreemde bouwsel van dictator Aristide

Remí rijdt me eerst naar de Notre-Dame de L’Assomption, of wat er van over is. De kathedraal was bijna honderd jaar oud, toen hij tijdens de aardbeving instortte. Volgens mijn chauffeur komt dat, doordat dictator Aristide er in 2004 een voodoo-monument voor zichzelf pal naast bouwde. Het idiote ding lijkt nog het meest op een mislukte graansilo en staat op middenop een rotonde.

Notre-Dame de L’Assomption

Van Aristide’s spreekwoordelijke pik, gaan we naar de slechtste plek in Port Au Prince. Het beruchte Site Solèy (stad van de zon). Ooit een arbeidersparadijs voor suikerrietkappers, met betonnen huisjes en kaarsrechte straten, nu steevast in de top tien armste en gevaarlijkste plekken op aarde. Een echte sloppenwijk dus.

De wijk wordt geregeerd door bendes, die met de lokale stabiliseringstak van de Verenigde Naties MINUSTAH om de macht strijden. Riolering en formele economie zijn afwezig. Enige positieve punten: Site Solèy ligt niet op een actieve breuk, en is dus aan de aardbeving ontsnapt, en er staan een paar schooltjes. We rijden de binnenplaats op van het Lycee Nationale de Cite Soleil. Op het dak staat in grote letters de naam van Adame Ba Konaré, echtgenote van een Malinese president. Ik heb nog nooit een schooltje bezocht, dat een liefdadigheidsproject van Mali is. 

Remí rijdt luid toeterend door drommen kindertjes, die lachend voor ons uit rennen.  Een zwarte madonna die haar kind zit te voeden, duwt de baby in de armen van haar moeder en rent op ons af. Ze grijpt me bij de arm, trekt me bijna van de motor af, terwijl ze in rad creools op me inpraat. Haar grote boezem lekt melk. “Oui oui, merci!”, roep ik maar, terwijl ik me aan Remí vastklamp tot ze loslaat. Als ik achterom kijk, staat ze op haar dijen te slaan van het lachen. “Elle veut t’épouser!” Ze wilde met je trouwen! Giert Remí.

Verboden te schieten, Site Solèy

We rijden de laatste verharde straat uit, beton maakt plaats voor triplex en golfplaat. “C’est le Brooklyn de Site Solèy, Cité Carton!” Ik kan de statistieken zo voor me zien. Alfabetisering 25 procent, 300 moorden per 100.000 inwoners per jaar. Wegwezen, gebaar ik. Remí knikt opgelucht. 

Truitier

We gaan de hoofdweg weer op, slalommen tussen vrachtwagens en enorme kuilen in de weg. Remí heeft me met een brede glimlach toevertrouwd, dat hij nog nooit een ongeluk heeft gehad. Hij is er terecht trots op.  Zijn broer Abél, die ook motortaxi rijdt, is zijn onderbeen kwijt. Geplet tussen een vrachtwagen en een Isuzu-bestelbusje. Helemaal safe is het dus niet. Snel is het wel. Remi brengt me van de beroerdste, naar de allerberoerste plek in Haiti : Truitier. Een puinstortplaats van 350 voelbalvelden groot, waar de stoffige resten van de grote klap van 2010, vermengd met stoffelijke losse eindjes van bewoners, een laatste rustplaats hebben gevonden.

Genoeg botsplinters, tenen en vingerkootjes om de varkens en geiten die er al rondzwierven, uit te laten groeien tot een weldoorvoede kudde. De beesten scharrelen rond in het huisvuil dat er nu illegaal gestort wordt, samen met les ultimes misérables. Na de orkaan van 2016 is een man of drieduizend aan komen waaien uit het verwoeste stadje Jeremie. Ze wonen op Truitier en leven van giften en huisvuil. Af een toe een varken.

Panne met de vuilniswagen, Truitier

Roaming en hoeren

WiFi bestaat niet in Port-au-Prince. Vlakbij mijn hotelletje in Canapé Verde staat wel een reusachtige rood met wit geverfde GSM-mast, neergepoot door een Finse NGO. Daardoor is de 3G roaming in mijn uithoek beter dan in het centrum. Ik klets ’s nachts met mijn vrienden op Twitter, als ik wakker lig van gekreun, dat veel langer aanhoudt dan je voor mogelijk houdt. Voor zover ik het orgasme van de vrouw begrijp dan. In de gang kom ik de dames tegen. Er is een magere met een enorme mond vol blikkerende tanden, waarmee ze graag naar je lacht. En eentje met billen en borsten als een vruchtbaarheidsbeeldje uit de steentijd. De dames kletteren van de plastic sierraden en hullen zich in gouden glitter-hotpants, die weinig te raden overlaten. Ze zijn vriendelijk maar niet opdringerig. 

Canapé Verde is, net als de meeste officieuze buitenwijken van Port-au-Prince, schoon en netjes. De iconische bergen vuilnis waar niemand iets mee doet, typisch voor het havendistrict, zie je hier niet. Haïtianen bouwen het liefst op een helling. Van wie het land is weet niemand, maar dat maakt niet uit. Je schoffelt met vrienden en familie een horizontaal stuk uit in de natte grond, stort een vloertje, metselt wat gasbetonblokken op elkaar en topt het af met een golfplaatdak. Beton als je geld hebt. Elektriciteit en waterleiding worden officieus geregeld. Als de boel instort, herbouw je.

Kak

Rijst is er dankzij de aardbeving genoeg voor de komende tien jaar. Het enige probleem is de riolering. Vandaar dat bouwen op een helling. Als ik doortrek, hoor ik water onder de straat door kletteren. Tot de stortbak leeg is. Dan blijft mijn kak liggen. Mijn stortbak is een luxe. De officieuze buitenwijken van Port-au-Prince zijn doortrokken van intens vieze betonnen goten, waar strontemmertjes in leeg gestort worden. Als het regent voeren ze menselijk afval gemengd met huisvuil naar de vallei beneden.

Maar dit is Haiti. In de vallei wonen ook mensen. Als het flink hard plenst, overstromen laaggelegen wijken met ongezuiverd rioolwater van de bovenburen. Golven drek vullen huizen, bedekken straten enkeldiep. Cholera breekt uit. Een ziekte die Haïti dankt aan een bataljon symptoomvrije Nepalese aardbevingsruimers. Port-au-Prince is de grootste stad op het Westelijk halfrond zonder centrale riolering. Bijna drie miljoen mensen doen het op zijn middeleeuws.

Een minder mooi stukje Port-au-Prince

Schone handen

Natuurlijk hebben goedwillende buitenlandse gevers rioolwaterzuiveringsinstallaties gebouwd. Miljoenen dollars zijn er in gestoken. In 2012 werd de eerste geopend. Zestiger Theo Zeilstra (niet zijn echte naam), een tanige ontwikkelingswerker oude stijl, rijdt me erheen in zijn gebutste Tata Xenon. Ik ontmoette Zeilstra, en zijn dertig jaar jongere Haïtiaanse vriendinnetje, toevallig toen ik een sim-kaartje ging halen. Volgens hem heeft de installatie steeds minder te doen, en komt bijna al het aangevoerde rioolslib uit de achterwerken van ontwikkelingswerkers. De waterbassins zijn groen van de algen. In één is een broedkolonie ontstaan van tropische eenden.

Zeilstra probeert al jaren de meest praktische oplossing voor het strontprobleem te slijten. Een enzymmengel dat poep afbreekt, merknaam Actizyme. Dump het goedje in een goot vol kak, pis en huisvuil, en binnen no time heb je een gedesinfecteerde, bruikbare mestgrondstof. Maar de mensen die Actizyme het meest nodig hebben, hebben er geen geld voor. Dus je zult het gratis moeten verstrekken. En dat wil het moederbedrijf niet. Voor NGO’s is Actizyme ook niet aantrekkelijk. Een berg gedesinfecteerde stront is namelijk geen foto-opportunity. Donoren willen iets bouwen. 

Het grote geldgat

De mislukte rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn maar één voorbeeld, van het vele geld dat verdwijnt in een gat van goede bedoelingen, slecht bestuur, misverstanden en domme pech. “Haïti is voor haar infrastructuur volkomen afhankelijk van buitenlands geld. NGO’s kunnen daarom gemakkelijk dingen aanpakken zonder overleg met lokale bestuurders,” legt hij uit. 

Zeilstra zit vol verhalen over NGO-fails. Verhalen die je nooit in een jaarverslag zult aantreffen. Medisch afval dat tegelijk met huisvuil worden gedumpt, waar geiten van eten, waarvan de melk aan babytjes gevoerd wordt. Een enthousiaste NGO die wél rioleringen en toiletpotten aanlegt, maar geen waterleiding. Een Nederlander die ik niet bij naam zal noemen, die voor elke tankwagenlading water tijdens de aardbevingscrisis 100 dollar vroeg. Per dag verdiende deze man 10.000 dollar. Hij heeft nu twee huizen op Aruba. Je vraagt je af wat nagellak-Tijn, of ieder ander kind dat zijn spaarpot omkeert voor het glazen huis, daar eigenlijk van zou vinden. Maar blijf alsjeblieft doneren. De allerarmsten op deze planeet zijn er uiteindelijk wel mee geholpen.  

Canapé Vert bij nacht

Trommels in de diepte

Er staan vier kerkjes in Canapé Verde. Letterlijke bakens van licht in het donker, waar iedere avond urenlang gezongen wordt. Als je toch geen tv hebt… Maar als de kerken stil zijn, hoor ik trommels lager op de helling. Af en toe gegil. Ik hoef natuurlijk niet te raden wat dat is: voodoo. Of vodoun, zoals de Haïtianen zelf zeggen. Emmanuel, een jongen met een bol gezicht en pretoogjes die de administratie van mijn brothel doet, wil wel kijken of de lokale priester me wil ontvangen. Hij klapt zijn telefoon open, begint rond te bellen. Ik loop naar buiten, de brandende zon in. Een paar belletjes later tikt hij me op mijn schouder: “Oui”. 

De volgende middag gaan we naar het hart van de sloppenwijk. Door steeds nauwere steegjes, tot de geur van rottende groenten en vlees, gemengd met doe-het-zelf riolering, bijna te snijden is. In het droge seizoen helpt ook een helling niet. We lopen over krakende planken, over poelen vol gorigheid, tot we voor een verveloze, lichtblauwe poort staan. 

Er wordt gebeld, gesmoesd. We mogen. Ik druk een zware gietijzeren deurklink naar beneden. De poort zwaait open naar een modderige binnenplaats. Er brandt een kolenvuur, waarin een ijzeren pook is gestoken die roodgloeiend moet zijn, al zie je daar niets van in de middagzon. Een enorme, zwart met witte gans met een fel oranje snavel waggelt blazend op me af. Een lage stem zegt kort iets in het creools. De gans druipt af. Wat is dit, een film? 

De medicijnhut

Voodoo parafernalia

Een beer van een vent die lijkt op Forest Whitaker, maar dan nog zwarter en met twee hangende oogleden, komt de binnenplaats op. Hij draagt een wit hemd en een soort pyjamabroek met slippers. Geen versiersels, alleen een gouden ketting met een grote Davidster om zijn nek. Hij wenkt ons mee.

Zijn heiligdom ligt verborgen achter een roodfluwelen gordijn vol symbolen in goudstiksel. Het is er donker en  het ruikt er vreemd. Naar verbrand haar, wierook en een scherp chemisch luchtje dat ik niet kan thuisbrengen. Ik ontwaar een tafel, bedolven onder sterkedrankflessen. Planken met schalen vol natuurproducten die ik niet ken. Aan het plafond hangen menselijke dijbeenderen, omvlochten met spreuken, en een paar kinderstoeltjes ondersteboven aan henneptouw, met lokken kinderhaar eraan. Op de een of andere manier zijn die stoeltjes way more creepy dan de beenderen, of de heuse mensenschedels die op de grond staan. Terwijl die schedels je letterlijk aanstaren, met oogkassen ingelegd met paarlemoer en edelstenen. Op een paar kruinchakra’s brandt een druipende kaars.   

Schedels met herdenkingskaarsen

Voodoo

De priester gebaart naar een laag houten bankje. We gaan zitten en de man legt zijn hand op mijn voorhoofd. Ik voel een statische elektrische schok. Geen idee of dat een goedkoop trucje is of iets anders, daarvoor is het te donker. Hij sluit zijn ogen en begint diep te zuchten en te mompelen. Maar ik voel geen boosaardigheid. Sure, natuurreligies zijn wat fysieker dan het christendom, vandaar die botten en dat haar. Ik moet vooral denken aan Klazien uit Zalk en haar kruidenmengsels.

Als hij klaar is, zegt de priester dat ik contact zoek met maman Brigitte, een loa die de gezellin van Baron Samedi is, de heer van het kerkhof. Kortgezegd, maman Brigitte is een archetypische heks. Grappig genoeg heb ik de nacht voor mijn bezoek gedroomd over een gothic-achtige dame op leeftijd, die tegen me op lag te rijden. Dus het zal wel kloppen.

 

 

De priester wijst naar een lijst die op de muur geschreven is, Emmanuel vertaalt. Contact maken met een loa kost 500 dollar. Direct contact met maman Brigitte op het kerkhof ‘s nachts: 650 dollar. Dat vind ik toch net te veel geld en moeite. En misschien heb ik ook wel koudwatervrees. Ik schud van nee. En daarmee is het consult afgelopen. Geen geld? Geen loa’s.

Maar de priester is in een genereuze bui. Hij pakt een schedel op en laat me in de ingelegde ogen kijken. Er gaat er een schok van herkenning door me heen. Dit is iemand die ik ken. Alleen geen idee wie. De man pakt nog een schedel op, houdt de twee doodshoofden tegen mijn hoofd. Eén links en één rechts. Hij mompelt een soort spreuk. Emmanuel vertaalt het als ‘Le même pouvoir peut faire le bien et le mal.’ Dezelfde kracht kan goed en slecht doen. 

Blijkbaar heb ik me goed gehouden, want nadat hij de schedels voorzichtig weer terug zet, kijkt de priester me diep in mijn ogen en krijg ik een berenomhelzing. En ik moet zijn hele interieur op de foto zetten om mee te nemen naar L’Europe.

 

Kiepwagens vol met lijken

Het massagraf

Op mijn laatste dag rijdt Remí me naar het massagraf van 2010. Er staat alleen een bord. Hoe uitgestrekt het grafveld is, zie je aan de struiken de boven de lijken groeien. Die zijn groener. Na de aardbeving is hier met bulldozers een enorme kuil gegraven, die door kiepwagens vol met lijken is gestort. Vrijwilligers stonden in het gat hun stadsgenoten aan te harken. Het moest wel efficiënt. Epidemieën breken in de tropen razendsnel uit. Remí kijkt ongemakkelijk. “Peut-on aller?” “Kunnen we gaan?” Ik vraag hem of hij iemand die hij kende kwijt is geraakt.

“Ja mijn jongste broer. Klasgenoten van vroeger. Et ma fiancée.” Zijn vriendin. Och Jezus.

“Heb jij haar gevonden?”

“Ja. Ze was net thuis, toen ons huis op haar instortte. Ze lag klem onder een dakbalk en bloedde langzaam dood. We hoorden over hulptroepen uit allerlei landen, maar in onze wijk kwam niemand. Hoe ze ons hadden moeten bereiken weet ik ook niet. Mijn eigen huis vinden kostte me een halve dag. Na drie dagen onder het puin stierf ze.”

“Was je daarbij? Heb je geslapen?”

“Hazenslaapjes. Ik hield haar hand vast. Elke keer als ze kreunde werd ik wakker. Dan gaf ik haar water.”

“Hoe heette ze?”

“Nadine.”

“Mooie naam. Heb je nog foto’s van haar?” Remí schud zijn hoofd. Pas nu schieten zijn ogen vol tranen.

“Nee, niet meer. Ik heb haar foto’s jarenlang bewaard. Maar mijn nieuwe vriendin Ruchelle vindt dat ik haar los moet laten. Ze zegt dat Nadine me verdrietig maakt.” Hij veegt zijn ogen droog. En daar is die brede glimlach weer. “Peut-on aller?” En ineens snap ik, dat hier niet alleen een kleine honderdduizend doden liggen. Hier ligt een stuk van het hart van Haïti. Natuurlijk brengen deze mensen pratend met loa’s en zingend in de kerk hun dagen door. Ik zou ook gaan geloven in een leven na de dood.