Onlangs werd bekend dat Brandon van Ingen (18) drie jaar lang vastgebonden aan een muur leefde, in een GGZ-instelling. Deze jongeman zou, net als zijn lotgenoten, veel hebben gehad aan een vaste, persoonlijke begeleider. Voorkom dat psychiatrische patiënten het telkens moeten stellen met een ander, schrijft Sam Gerrits.

NRC Handelsblad, 21 januari 2011, 2 minuten leestijd.

Nederland is geschokt door de recente EO-reportage over de achttienjarige Brandon van Ingen, een jongeman met een verstandelijke beperking, die al drie jaar in zijn kamer zit vastgeketend aan een riem van anderhalve meter.

Ik, en waarschijnlijk meer hulpverleners met mij, heb het mediacircus daarna gevolgd met een licht gevoel van déjà vu – de ontstelde Kamervragen, de obligate uitdieping door De Wereld Draait Door en Pauw & Witteman, de grote krantenfoto’s et cetera. Natuurlijk wilde staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (Volksgezondheid, CDA) een gesprek met de moeder van Brandon – alsof de beelden niet voor zich spraken. Natuurlijk vroegen talloze mensen zich af hoe dit in hemelsnaam kon, in Nederland zorgland.

De beelden van Brandon deden me een beetje denken aan mijn eigen ervaringen in de isoleercel, van 10 jaar terug. Ik moest ook denken aan een Chinese jongen met wie ik ooit heb gewerkt, toen ik nog hulpverlener jeugdpsychiatrie was. Een bijbaantje tijdens mijn studie, toen dat nog kon. Laat ik hem Sjeng noemen. Sjeng is een goedmoedige reus van twee bij twee meter, hartstikke lief, maar zwaar geestelijk beperkt en autistisch. Televisiebeelden zeggen Sjeng niets. Wel is hij dol op spuitbussen met scheerschuim. Als hij zich bedreigd voelt, deelt hij rake klappen uit.

Sjeng had ooit drie vaste een-op-een-begeleiders, die hem goed kenden. In die tijd ging het goed met hem. Soms werd er ‘gepiept’, een hulpverlenerseufemisme voor ‘alarm slaan’. Dan renden we met zijn allen naar zijn afdeling, om hem collectief in een ergonomisch en didactisch verantwoorde houdgreep te nemen en naar de ‘stilteruimte’ te brengen, hulpverlenerstaal voor isoleercel. Met een kwartiertje tegen de muren oplopen was hij dan meestal weer rustig.

Bezuinigingen volgden. Sjengs dure drie een-op-eenbegeleiders maakten plaats voor twaalf goedkope, die hij niet kende en dus niet vertrouwde. De helft kwam net van school en had nul ervaring met geweld, escalatie en deëscalatie. Dat leer je namelijk niet op hulpverlenersscholen.

Het resultaat was dat er ineens elke dag werd ‘gepiept’. Elke dag sprongen hulpverleners boven op de arme Sjeng. Elke dag werd hij krijsend afgevoerd. De grasgroene sociaal-pedagogisch hulpverleners liepen blauwe plekken op, brandden af als luciferhoutjes en zochten ander werk. De instelling huurde dure, nog minder capabele uitzendkrachten in, om het gat te vullen.

De instelling deed een rekensom, en kwam erachter dat ze met de drie oorspronkelijke begeleiders goedkoper uit was geweest, dan met de uitzendkrachten. Maar nu is het te laat. Sjeng vertrouwt nu geen mensen meer. Elke menselijke benadering beantwoordt hij met paniek en agressie. Hij bewoont nu een afgesloten kamertje, met een afwasbaar matras en speciaal beddengoed. Zijn behoeften doet hij op de grond. Een keer per week krijgt hij een bus scheerschuim. Terwijl hij daarmee speelt, wordt hij met zachte hand onder de douche gezet. Ondertussen wordt zijn kamer schoongespoten.

Ik zou in de isoleercel prijs hebben gesteld op hart, geduld en vertrouwen

Sjeng is niet vastgebonden, dus hij valt niet onder onze schok van de week, maar zijn verhaal illustreert wel wat waarschijnlijk ook is gebeurd met Brandon – een al te bekend verhaal, over hoe veel verschillende, deels onervaren hulpverleners, die Brandon niet goed kenden, samen met hem steeds banger werden. Een verhaal van hoe escalatie op escalatie volgde, tot de angst bij iedereen zo groot was, dat vastbinden de enige oplossing leek.

Ik zou graag op deze plaats willen pleiten voor het in ere herstellen van intensieve een-op-eenbegeleiding van moeilijke cliënten. Sjengs verhaal toont aan, dat dit uiteindelijk goedkoper is.

Meer nog, zou ik willen dat de hulpverleners van de toekomst tijdens hun opleiding worden getraind in het voorkomen van en omgaan met geweld en gierend uit de hand lopende situaties. De mensen met wie ze komen te werken, zitten niet voor niets in een instelling. Veel ouders doen een gehandicapt kind pas ‘de deur uit’ als het al heel lang flink uit de hand loopt.

De staatssecretaris heeft de Tweede Kamer inmiddels laten weten dat ze „de knapste koppen” zal laten nadenken over Brandons casus. Dat is fijn. Ze liet ook weten dat zijn situatie weliswaar schrijnend is, maar voldoet aan de normen. Ook dat is fijn.

Feit blijft, dat Brandon tot drie jaar terug nog gewoon naar school ging en tijdens de weekends thuis bij zijn moeder weinig agressie vertoonde. Dat zijn hulpverleners hun angst voor hem naar de rechtbank hebben gebracht, laat zien, hoe diep en systematisch de vertrouwensbreuk is tussen hen en Brandon. Daarvan kunnen we noch hen, noch deze jongen de schuld geven. Iedereen die met jongeren omgaat, kan je vertellen dat ze jouw stemming overnemen. Als jij bang bent, zijn zij het ook.

Escalerende, gevaarlijke situaties vormen een klein deel van het hulpverlenerswerk, maar de impact ervan is enorm. Elk incident slaat een bres in het vertrouwen tussen de cliënt en de hulpverlener, en beïnvloedt de sfeer op de afdeling in de weken erna. Als incidenten niet worden opgelost, uitgepraat en verwerkt, raakt de behandelsfeer verziekt. Het personeel verhardt. De desinteresse in de cliënten neemt toe.

Niemand zal het zo noemen en in verslagen vind je het niet terug, maar er ontstaat vijandschap – ‘wij tegen zij’. ‘Zij doen ons pijn, dus waarom zouden we moeite voor hen doen?’ Van zo’n verharde behandelcultuur worden hulpverleners noch patiënten wijzer.

Natuurlijk blijven extreme maatregelen soms nodig. Toen ik tien jaar geleden psychotisch was en ruiten ingooide, was het logisch dat ik in een isoleercel werd gezet. Dat ik daar vervolgens 37 dagen verbleef, was echter onnodig.

Nog meer knappe koppen zijn altijd fijn, maar ik wil liever pleiten voor meer gebruik van het hart, voor herstel van het geduld en het vertrouwen in de behandelrelatie, voor nazorg en voor verzoening.

Uiteindelijk draait het om vertrouwen. Het verlies daarvan is het begin van het einde in elke relatie – zeker in de moeilijke relatie tussen hulpverlener en patiënt.

Sam Gerrits is aardwetenschapper en journalist. Hij schreef samen met gelauwerd filosoof Wouter Kusters het boek Alleen, Berichten uit de isoleercel.